Studieproject TU/e    2001      Een wildobservatieruimte op de Veluwe.

Het kan verleidelijk zijn een bouwwerk in de natuur een organische vorm te geven. Natuur vat ik hier echter niet op als een uiterlijke verschijning, maar een achterliggend proces. Uit een minimale hoeveelheid materiaal groeit een maximaal functionele vorm. Juist de samenhang tussen vorm en de redenen waaruit deze voort groeit, vind ik prachtig. Als een organische vorm rücksichtslos architectonisch wordt toegepast, ontbreekt deze samenhang.

In dit ontwerp wordt het “natuurlijke proces” geďmiteerd: In de hedendaagse bouwkunde resulteert “minimale hoeveelheid materiaal / maximaal functioneel resultaat” niet tot organische, maar tot geometrische vormen. 

De bestaande gesloten observatiemuur met kijkgaten wordt vervangen door een ruimte met bijna onbelemmerd uitzicht. Voor het wild zijn de toeschouwers achter het spiegelende glas onzichtbaar, zodat die niet afschrikken.

Hoewel subtiliteit niet ontbreekt, geven de repeterende houten raamwerken, damwandprofielen (maximale sterkte met minimale dikte) en zichtbare stalen bevestigingen een weerbarstig en bot resultaat.

Dit is het tegenovergestelde van het zoeken naar een (esthetische) vormgeving: een niet vormgeven vormgeving. Een vormkrijging?